K.U.Leuven
  Zoeken naar Zoeken naar personeel Zoeken naar studenten Zoeken in het organigram Zoekmatrix Zoeken op trefwoorden
[Startpagina Onderzoeksgroep] [Startpagina William Van Belle]
Onderzoeksgroep Nederlandse Grammatica en Taalgebruik
  William Van Belle – onderwerpen verhandelingen  

Bij de onderwerpen aangeduid met een * fungeert Hans Smessaert als (co)promotor. De meeste van de onderstaande onderzoeksvoorstellen dienen te gebeuren op basis van corpusonderzoek of van enquêtes.

 
Syntaxis
Pragmatiek

Grammaticalisatieverschijnselen: voegwoorden, zinsverbindende bijwoorden, graden van zinsintegratie

Andere onderwerpen

experimenteel onderzoek naar de implicaturen die met verschillende taalhandelingen samenhangen (bijv. conditionele beloftes, dreigementen en waarschuwingen)

Dit onderzoek sluit aan bij het onderzoek van de interdisciplinaire onderzoeksgroep CoRe (Common-sense Reasoning)

Syntaxis

nu als temporeel bijwoord, voegwoord en zinsverbindend bijwoord*

We gebruiken nu niet alleen als een intrapredicatief bijwoord van tijd (1) en als een onderschikkend voegwoord van tijd (2), maar ook als een zinsverbindend bijwoord met een bijkomende attitudinele betekenis (3).

  • (1) Ik heb nu geen tijd.
  • (2) Nu ik je zie, denk ik er weer aan.
  • (3) Nu moet je niet denken dat...

De bedoeling van dit onderzoek is om op basis van corpusmateriaal een syntactisch-pragmatische beschrijving te geven van het gebruik van nu.

Voorbeeldanalyse:
Smessaert, Hans en William Van Belle (2005), 'From manner expression to attitudinal discourse marker: the case of Dutch anders.'

[Terug naar overzicht bovenaan]

conditionele conjunctie en disjunctie

Zinnen als (1) en (2) lijken gevallen van nevenschikking.

  • (1) Studeer flink en je zal slagen.
  • (2) Loop door of je krijgt een bekeuring.

Het eerste lid van de nevenschikking heeft echter de waarde van resp. een voorwaarde (1') en een negatieve voorwaarde (2').

  • (1') Als je flink studeert, zal je slagen.
  • (2') Als je niet doorloopt, krijg je een bekeuring.

De bedoeling van dit onderzoek is na te gaan wat de precieze syntactische kenmerken zijn van deze constructies in vergelijking met prototypische nevenschikking.

Voor meer informatie, zie de inhoud van het college F0467A : Nederlandse Taalkunde : Theoretische Taalkunde van het academiejaar 2005-06.

[Terug naar overzicht bovenaan]

graden van zinsintegratie met temporele voegwoorden*

De twee vooraleer zinnen in (1) en (2) hebben een duidelijk verschillende band met hun respectieve hoofdzinnen:

  1. Vooraleer de investering gedaan wordt moet je de steun aanvragen.
  2. Vooraleer je eraan twijfelt: we hebben ook serieuzer werk geleverd.

De drie syntactische criteria van proportionaliteit, vooropplaatsing en clefting geven telkens een verschillend resultaat voor beide zinnen:

  • in (1) maar niet in (2) is de vooraleer-zin proportioneel met wanneer?/dan.
  • in (1) maar niet in (2) veroorzaakt de vooraleer-zin inversie in de hoofdzin.
  • in (1) maar niet in (2) kan de vooraleer-zin in de focuspositie van een cleftstructuur

De bedoeling van dit onderzoek is om a.d.h.v. een uitgebreid elektronisch corpus van voorbeeldzinnen, voor (een aantal) andere temporele voegwoorden na te gaan welke graden van zinsintegratie kunnen worden onderscheiden in termen van de drie hogervermelde syntactische criteria.

  • Smessaert, Hans, Bert Cornillie, Dagmar Divjak & Karel van den Eynde (2005).
    ‘Degrees of clause integration. From endotactic to exotactic subordination in Dutch'. Linguistics 43/3, 471-529.
  • Eynde, Karel van den & Smessaert, Hans (2003).
    ‘Een typologie van vooraleer-zinnen: graden van syntactico-semantische dependentie.'. Verschijnt in Leuvense Bijdragen, 92/3-4 (25 pp.).

[Terug naar overzicht bovenaan]

ergens of iets inklimmen, oplopen, etc.

Volgens de ANS (1997: 609 e.v.) bestaat er heel wat onzekerheid bij taalgebruikers of we in de onderstaande zinnen te maken hebben met scheidbaar samengestelde werkwoorden (inklimmen, inrijden) of met de combinatie van een werkwoord met een constituent eindigend op een achterzetsel.

  1. Zij is de boom ingeklommen / in geklommen.
  2. Zij is de garage ingereden / in gereden.

De bedoeling van dit onderzoek is om door experimenteel onderzoek uit te maken in welke mate taalgebruikers de betrokken constituent als een direct object of als een richtingsobject ervaren en m.m. het betrokken werkwoord als een scheidbaar samengesteld werkwoord of als een enkelvoudig werkwoord gecombineerd met een achterzetsel (of een partikel).

[Terug naar overzicht bovenaan]

gesplitste voornaamwoordelijke bijwoorden

Van Canegem-Ardijns & Van Belle (2002) bevat een aantal hypothesen i.v.m. restricties op de vorming en de splitsbaarheid van voornaamwoordelijke bijwoorden. De bedoeling van dit licentiaatsonderzoek is deze hypothesen verder uit te werken en te toetsen aan nieuw corpusmateriaal.

  • I. Van Canegem-Ardijns & W. Van Belle (2004)
    'Pronominal adverbs containing adpositions of direction in Dutch: formation and splitting.' Belgian Journal of Linguistics 18, 115-143.
  • J. van der Horst (1992)
    'Splitsen of niet splitsen van voornaamwoordelijke bijwoorden.' Forum der Letteren 33, 127-147

[Terug naar overzicht bovenaan]

predicatieve complementen en hun proportionaliteit*

Predicatieve complementen zijn constituenten die in een predicatieve relatie staan met een essentieel zinsdeel en tegelijkertijd een hechte band hebben met het werkwoord in de zin zodanig dat ze de valentie van dat werkwoord kunnen wijzigen. In Taalboek Nederlands (2003: 292-294) worden verschillende types van dergelijke predicatieve complementen onderscheiden. Die predicatieve complementen blijken echter wel verschillen te vertonen op het vlak van proportionaliteit: sommige zijn niet-proportioneel, andere in zekere mate wel. Vergelijk:

  1. Hij sloeg het glas in stukken / *daarin.
  2. Hij houdt zijn benen gekruisd / zo.

De bedoeling van dit onderzoek is het syntactisch gedrag van de predicatieve complementen verder te onderzoeken.

[Terug naar overzicht bovenaan]

maatobjecten en hun proportionaliteit*

Een aantal werkwoorden, zoals wegen, duren, kosten of meten vereisen een constituent die antwoordt op de vraag hoeveel?, hoelang?, hoe groot?. Deze constituent krijgt in de literatuur verschillende namen: bepaling van maat (ANS, 1997:1203), maatcomplement (Vandeweghe, 2000:121) of maatobject (Smedts & Van Belle, 2003:285). De bedoeling van dit onderzoek is om, a.d.h.v. uitgebreid corpusmateriaal, na te gaan of en in welke mate deze categorie ook verschijnt bij werkwoorden of werkwoordelijke uitdrukkingen van het type:

  • iets terecht brengen van iets, iets te maken hebben met iets
  • iets betekenen voor iemand, iets veranderen aan iets
  • er iets op tegen hebben, iets merken van iets

waarbij de iets wel proportioneel is met wat? maar niet met dat. In welke mate gaat het hier om een onderliggend hoeveel?/zoveel paradigma van maat/graad met daarin onder meer veel/weinig en alles/niets enz.? Twee aspecten komen aan bod: enerzijds het aanleggen van een inventaris van uitdrukkingen met een dergelijke iets-constituent, en anderzijds het in kaart brengen van de proportionaliteit en de lexicalisatiemogelijkheden van die iets-constituent.

[Terug naar overzicht bovenaan]

Pragmatiek

De conditionaliteit van conditionele beloftes en conditionele dreigementen

Het vertrekpunt van dit onderzoek is de hypothese dat een spreker met een conditionele belofte als (1) een conditie p stelt op de belofte dat q, en dat met een conditioneel dreigement als (2) de spreker ermee dreigt dat q, waarbij niet-p geldt als de enige situatie waarin de spreker q niet uitvoert.

  • (1) Als je het gras maait, geef ik je 5 euro.
  • (2) Als je blijft praten, gooi ik je buiten.

De bedoeling is om aan de hand van corpus- en/ of experimenteel onderzoek na te gaan of er syntactische en/of andere argumenten bestaan die de bovenstaande hypothese ondersteunen. Mogelijke aandachtspunten daarbij zijn:

  • het patroon 'q, maar dan moet p het geval zijn' (ik geef je 5 euro, maar dan moet jij wel het gras maaien versus *ik gooi je buiten, maar dan moet je blijven praten)
  • het patroon 'q, tenzij niet-p' (ik ga je buiten gooien, tenzij je ophoudt met praten versus *ik geef je 5 euro, tenzij je het gras niet maait)
  • de proportionaliteit van het antecedent met 'op voorwaarde dat' (ik geef je 5 euro op voorwaarde dat je het gras maait versus *ik gooi je buiten op voorwaarde dat je blijft praten)

[Terug naar overzicht bovenaan]

De toepasbaarheid van de inferentie dat 'als niet-p, dan niet-q' bij conditionele asserties, conditionele waarschuwingen en conditionele dreigementen

De inferentie dat 'als niet-p, dan niet-q' is bij een aantal conditionele zinnen, zoals (1), onmogelijk. Bij andere conditionele zinnen is ze wel mogelijk, maar wordt ze waarschijnlijk niet getrokken omdat de bijkomende informatie te irrelevant is, zoals bij (2). De inferentie is wél relevant bij de conditionele waarschuwing in (3) en het conditionele dreigement in (4).

  • (1) Als je het mij vraagt, is hij de geschikte kandidaat.
  • (2) Als het regent, worden de straten nat.
  • (3) Als je nog verder uit het raam leunt, zal je vallen.
  • (4) Als je blijft praten, gooi ik je buiten.

De bedoeling van dit onderzoek is om aan de hand van enkele experimenten na te gaan wanneer proefpersonen de inferentie dat 'als niet-p, dan niet-q' maken, en waarom. Interessant daarbij zijn, o.a., conditionele zinnen als (5) die als een conditionele assertie of als een conditionele waarschuwing bedoeld kunnen zijn. De inferentie dat 'als niet-p, dan niet-q' lijkt immers enkel relevant te zijn wanneer (5) bedoeld is als een waarschuwing.

  • (5) Als je het glas laat vallen, breekt het.

[Terug naar overzicht bovenaan]

De toepasbaarheid van de inferenties dat 'als niet-p, dan niet-q' en 'alleen als niet-p, dan niet-q' bij conditionele adviezen en conditionele aanbevelingen

De inferentie dat 'als niet-p, dan niet-q' is weliswaar compatibel met het conditionele advies in (1), maar de informatie dat de toehoorder de politie niet hoeft te bellen wanneer Jan weggaat, is wel erg irrelevant. Bij de conditionele aanbeveling in (2) strookt die inferentie zelfs niet eens met de bedoeling van de gestelde taalhandeling. De interpretatieve bedoeling van (2) lijkt immers te zijn 'zet je computer af wanneer je hem niet gebruikt, tenzij je geen energie wil besparen'. Met andere woorden, de inferentie dat 'alleen als niet-p, dan niet-q' sluit beter aan bij de bedoeling van (2).

  • (1) Als Jan niet wil weggaan, bel dan de politie.
  • (2) Als je energie wil besparen, zet dan je computer af wanneer je hem niet gebruikt.

De bedoeling van dit onderzoek is om aan de hand van enkele experimenten na te gaan of de inferentie dat 'als niet-p, dan niet-q' inderdaad irrelevant is bij conditionele adviezen, en te zwak bij conditionele aanbevelingen, en of conditionele aanbevelingen eerder aanleiding geven tot de inferentie dat 'alleen als niet-p, dan niet-q'.

Literatuur

Athanasiadou, Angeliki and René Dirven. (1997).
Conditionality, hypotheticality, counterfactuality. In: Athanasiadou, Angeliki and René Dirven. On conditionals again. Amsterdam/ Philadelphia: John Benjamins. 61-96.
Declerck, Renaat and Susan Reed. (2001).
Conditionals. A comprehensive empirical analysis. Berlin/ New York: Mouton de Gruyter.
Fillenbaum, Samuel. (1986).
The use of conditionals in inducements and deterrents. In: Traugott, Elizabeth Closs, Alice ter Meulen, Judy Snitzer Reilly, Charles A. Ferguson (eds.). On conditionals. Cambridge: Cambridge University Press. 179-195.
Horn, Laurence R. (2000).
From IF to IFF: conditional perfection as pragmatic strengthening. Journal of Pragmatics 32. 289-326.
Searle, John R. and Daniel Vanderveken. (1985).
Foundations of Illocutionary Logic. Cambridge: Cambridge University Press.
Van Canegem-Ardijns, Ingrid & William Van Belle.
Conditionals and types of conditional perfection. (manuscript)
Van der Auwera, Johan. (1986).
Conditionals and speech acts. In: Traugott, Elizabeth Closs, Alice ter Meulen, Judy Snitzer Reilly, Charles A. Ferguson (eds.). On conditionals. Cambridge: Cambridge University Press. 197-214.
Van der Auwera, Johan. (1997b)
Conditional perfection. In: Athanasiadou, Angeliki and René Dirven (eds.). Conditionality, hypotheticality, counterfactuality. Amsterdam/ Philadelphia: John Benjamins. 169-190.
Wierzbicka, Anna. (1987).
English speech act verbs. A semantic dictionary. London: Academic Press.

[Terug naar overzicht bovenaan]

de rol van modale werkwoorden in conditionele zinnen (en taalhandelingen)*

In een conditionele zin zoals (1) wordt een algemeen causaal verband gelegd tussen twee standen van zaken in de werkelijkheid. In (2-3) kunnen ofwel in de bijzin (het antecedent in het "als"-stuk) ofwel in de hoofdzin (de consequens in het "dan"-stuk), ofwel in beide stukken verschillende modale werkwoorden verschijnen.

  1. Als het morgen regent, dan kom ik niet met de fiets.
  2. Als je op tijd wil zijn, dan moet je nu vertrekken.
  3. Als je nu niet vertrekt, dan zul/kun je niet op tijd zijn.

De volgende vragen kunnen in dit onderzoek aan bod komen:

  • Welke combinaties van modale werkwoorden komen (hoe vaak) voor in een elektronisch corpus van voorbeeldzinnen ?
  • Welke taalhandeling wordt uitgedrukt: belofte, dreigement, waarschuwing, advies, verbod ?
  • Welke types (contrapositie)relaties gelden tussen verschillende conditionele zinnen? De zinnen in (2-3), bvb, zijn equivalent op basis van het volgende middel-doelpatroon:
      als je wil [doel bereiken] dan moet je [middel hanteren] <=> als je niet [middel hanteert] dan kun/zul je niet [doel bereiken]

[Terug naar overzicht bovenaan]

K.U.Leuven - CWIS
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven | reacties op de inhoud: info.nedling@arts.kuleuven.be
Realisatie: Hans Smessaert | Laatste wijziging: 2-02-2006
URL: http://wwwling.arts.kuleuven.be/nedling/wvanbelle